Vandaag, 15 augustus, viert KNSB-erelid Geurt Gijssen zijn 92e verjaardag. Een bijzonder moment, want dit jaar is hij ook maar liefst 75 jaar lid van de KNSB. Een schaakleven waarin hij niet alleen achter het bord actief was, maar vooral grote internationale bekendheid verwierf als arbiter en organisator.
Gijssens 75-jarige lidmaatschap werd bij ons onder de aandacht gebracht door zijn oude schaakvriend en SMB-clubgenoot Goverde. Gijssen werd in 1950 lid van de Rotterdamse schaakvereniging Kralingen en schaakte later bij WST en UVS in Nijmegen. Sinds 9 september 1956 is hij lid van SMB.
Het bestuur van de KNSB feliciteert Geurt van harte met zijn 92e verjaardag én met dit bijzondere schaakjubileum.
Ter gelegenheid daarvan publiceren we hieronder opnieuw een uitgebreid interview dat Bart Stam in 2017 met Geurt Gijssen had over zijn indrukwekkende carrière als schaker, organisator en internationaal arbiter. In 2014 werd Gijssen benoemd het 18e erelid van de KNSB.
Geurt Gijssen (83) vertelt over lange carrière
door Bart Stam uit een interview uit 2017
Sinds de jaren zeventig is Geurt Gijssen (83) actief als schaakarbiter èn -organisator. Twee ontwikkelingen baren hem zorgen: de matige spelregelkennis van de meeste schakers en het illegaal gebruik van elektronische hulpmiddelen. “Hoewel ik denk dat minder dan 0,1 procent fraudeert, ben ik voor strenge sancties als een internationale zwarte lijst. Dat is volgens mij de enige manier om schaken eerlijk te houden.”
We spreken Geurt Gijssen daags na de uitschakeling van Anish Giri in de World Cup. “Jammer maar Invanchuk speelde beter.” Het geeft aan dat de bekende arbiter de schaakwereld nog altijd op de voet volgt, al heeft hij geen officiële functies meer bij de FIDE en de KNSB. “Vanwege mijn leeftijd moet ik het wat rustiger aan doen. Dat geeft niet want ik heb een mooie carrière opgebouwd. Naast het leiden en organiseren van talloze toernooien en tweekampen, ben ik van 1988 tot 2014 lid geweest van FIDE Rules Commission, waarvan de laatste twintig jaar als voorzitter. Ook ben ik tussen 1982 en 1994 bestuurslid geweest van de KNSB.”
Tegenwoordig geniet de Nijmegenaar van zijn omvangrijke schaakbibliotheek. Ook speelt de oud-wiskundeleraar met veel plezier in het vriendenteam van SMB 3. “Ik ben al lid sinds 9 september 1956. Dat is net geen record want er is iemand die zich een dag eerder heeft aangemeld!” Mede door de achttien jaar als bestuurslid, mag Gijssen zich erelid noemen van Strijdt met Beleid. Deze onderscheiding bezit hij ook van de KNSB en de Britse scheidsrechtersbond. Al eerder werd Gijssen benoemd tot lid van verdienste van de vaderlandse schaakbond.

Talentvol schaker
In zijn jeugd was Geurt Gijssen een talentvol schaker. “Als kind van Nederlandse ouders ben ik opgegroeid in de Duitse grensstad Emmerich waar mijn vader directeur was van een tabaksfabriek. Na het bombardement van oktober 1944, is ons gezin tijdelijk geëvacueerd naar het Ruhrgebied. In een café heb ik schaken geleerd.”
Pas na WO II pakt Geurt Gijssen het schaakspel serieus op als het gezin naar Rotterdam is verhuisd. Gijssen: “Op het Marnix Gymnasiumhad ik een wiskundeleraar die tevens een enthousiast clubschaker was. Via hem, en een instuif van de Gereformeerde Kerk, ben ik eerst lid geworden van schaakclub Denk en Zet en in 1950 van Kralingen, tegenwoordig SO Rotterdam. In 1952 werd ik tweede bij de Rotterdamse jeugdkampioenschappen achter Dick van Geet.” Toen de familie Gijssen dat jaar naar Nijmegen verhuisde, werd Geurt eerst lid van WST en vervolgens van UVS waarvan hij tweemaal clubkampioen werd. “Hierdoor mocht ik meedoen aan het kampioenschap van Nijmegen. Zo kwam ik in contact met SMB.”
Ondanks de snelle vorderingen als tiener, ontdekte Gijssen in de loop der jaren dat het organiseren van toernooien hem ook erg aansprak. “Ter ere van het 125-jarig bestaan organiseerde SMB in 1974 een groot rapidtoernooi. Samen met Wim Viering heb ik dat tien jaar gedaan. Toen mij werd gevraagd de indeling te maken van het Nijmeegs kampioenschap, heb ik mij verdiept in het Zwitsers systeem. Deze kennis heb ik gebruikt om samen met Wil Haggenburg het zogeheten Dutch System te ontwikkelen. Dit vormt nog altijd de basis voor de indeling van Zwitserse toernooien.”
Internationaal arbiter
In 1974 volgt Gijssen een korte spelregelcursus (“twee uur op een zaterdagmiddag”) van de KNSB. Nadat hij voor dit examen is geslaagd, mag hij zich schaakarbiter noemen. Vanwege zijn baan als wiskundeleraar en schooldecaan op de Nijmeegse Scholen Gemeenschap is hij vooral actief in schoolvakanties. Zo is Gijssen hoofdarbiter bij de Open Nederlandse kampioenschappen in Velp/Dieren en bij de Europese jeugdkampioenschappen in Groningen. “In 1980 zou de schaakolympiade voor blinden en slechtzienden van de International Braille Chess Association (IBCA) worden gehouden in Noordwijkerhout. Voorzitter Ad Bestman wilde mij graag als hoofdarbiter. Maar daarvoor moest ik eerst vier normen hebben als internationaal arbiter. Dat is gelukt dankzij KNSB-voorzitter Wim Ruth die ook directeur was van het IBM-toernooi.” Vanaf 1979 mag Gert Gijssen zich internationaal arbiter noemen.
Zijn internationale doorbraak komt niet lang daarna. Gijssen: “In 1983 waren de Europese teamkampioenschappen in Plovdiv, Bulgarije. Teamcaptain Frank Kuijpers was verhinderd en de KNSB vroeg mij of ik hem wilde vervangen. Hoewel ik destijds nog in het onderwijs werkte en eigenlijk geen ervaring had als teamcaptain, heb ik toch ja gezegd. Toevallig was Jan Rennings van het Interpolis Schaaktoernooi ook in Plovdiv. Hij zocht nog een arbiter voor de komende editie. Via Jan Timman ben ik met hem in contact gekomen en zo ben ik van 1983 tot met 1994 arbiter geweest in Tilburg. Eerst samen met Constant Orbaan, vanaf 1991 als hoofdarbiter.”

Karpov en Kasparov
In 1984 was Gijssen de Nederlandse chef de mission tijdens de Schaakolympiade in Thessaloniki. “Voor de eerste ronde bleek dat de indeling niet klopte. Deze was gebaseerd op de gemiddelde rating team per team maar iemand had per abuis ook de ratings van de teamcaptains meegeteld. Ik heb dat FIDE-president Campomanes gemeld die mij vroeg een nieuwe indeling te maken. Dat was vrij eenvoudig. Problematischer was de vraag of ik vanaf de zesde ronde ook de indeling wilde maken, aangezien niemand deze begreep. Er was namelijk geen goede administratie bijgehouden. Samen met Casto Abundo (Filippijnen) heb ik in 24 uur alle resultaten verzameld van de vorige ronden. Zo ben ik bij de FIDE in beeld gekomen.” Tijdens de Olympiade van 1988, eveneens in Thessaloniki, was Gijssen inmiddels voorzitter geworden van de indelingscommissie.
John van der Wiel bracht Gijssen tijdens het NK van 1985 in contact met Bessel Kok die hem daarna vroeg als hoofdarbiter van de SWIFT-toernooien.Al deze ervaring leidde uiteindelijk tot zijn aanstelling als hoofdarbiter bij de WK-matches tussen Karpov en Kasparov in 1987 (Sevilla) en 1990 (New York/Lyon). De Nijmegenaar denkt met veel plezier terug aan deze krachtmetingen. Gijssen: “Met beide spelers heb ik een goede relatie opgebouwd.” Vol trots laat hij een gesigneerd boek zien van Kasparov. “In 1990, tijdens de tweede match in Lyon, ging ik een keer hardlopen met Kasparov en zijn secondant Dolmatov. Hoewel ik altijd strikte neutraliteit heb gehanteerd vond ik dat dat wel kon. Zo heb ik Karpov ook wel eens geholpen met de boodschappen omdat hij geen Frans sprak. Ik was destijds 53 jaar maar had een heel goede conditie. Kasparov, die 29 jaar jonger is, liep elke dag 3,5 kilometer in een park bij zijn villa.Al snel merkte ik dat het tempo niet al te hoog lag en zo arriveerde ik met flinke voorsprong weer bij zijn villa. Toen Kasparov er eindelijk was vroeg ik lachend: nog een rondje, Gary? Dat zijn mooie herinneringen!”
Goede voorbereiding
Gijssen vindt dat een goede arbiter niet alleen de spelregels tot in de puntjes moet beheersen èn naleven, hij moet ook over een aantal karaktereigenschappen beschikken. “Een wedstrijdleider moet diplomatiek zijn, op de achtergrond blijven en goed kunnen anticiperen. En hij moet veel tijd besteden aan de voorbereiding, zoals het controleren vande verlichting, het podium en het spelmateriaal. Een arbiter moet zich altijd realiseren dat hij er is voor de spelers en niet omgekeerd!”
Het respect dat hij bij de topspelers en organisatoren afdwong, leidde ertoe dat Gijssen hierna nog veel matches en toernooien om het wereldkampioenschap mocht leiden. Naast de duels tussen Karpov en Kasparov beschouwt hij de knock-out toernooien van Groningen/Lausanne (1997/1998) en Las Vegas (1999) als hoogtepunten. Tijdens de tweekamp Timman-Karpov in 1993 was Gijssen hoofdorganisator van het Nederlandse deel en zorgde hij voor goede condities in Zwolle, Arnhem en Amsterdam.
Natuurlijk heeft Gijssen niet alleen goede herinneringen als wedstrijdleider. “Ik heb er nog steeds de pest in dat ik tijdens het Tal Memorial in 2006 ten onrechte een remiseclaim van Carlsen tegen Morozevich heb gehonoreerd. Het was weliswaar driemaal dezelfde stelling maar niet met dezelfde speler aan zet. Ik was trouwens de eerste die binnen twee minutenontdekte dat er iets niet klopte maar Morozevich was al verdwenen.” Ook heeft hij zich geërgerd aan de ‘indianenverhalen’ over de match Kramnik-Topalov (2006) waarin hij de regels niet goed zou hebben gehanteerd.
Matige spelregelkennis
In zijn carrière heeft Gijssen de spelregels flink zien veranderen. “Hoewel er voortdurend kleinere aanpassingen zijn geweest, beschouw ik het afschaffen van afgebroken partijen, de komst van digitale klokken en nieuwe bedenktijden met een bonus per zet als het meest ingrijpend.”
Tot zijn spijt constateert hij dat het matig gesteld is met de spelregelkennis van de meeste schakers. “Topschakers kennen de regels over het algemeen wel maar ook bij hen zie je soms de vreemdste dingen. Bijvoorbeeld spelers die in rapidpartijen de klok van de tegenstander ingedrukt houden bij een omgevallen stuk.” Hij vervolgt: “Iedere schaker kent de vijftigzettenregel maar vrijwel niemand kent de nieuwe 75-zetten regel. Deze houdt in dat een partij altijd remise is als er 75 zetten lang geen pion is verzet of een stuk is geslagen, ook als beide spelers het niet zien. De arbiter mag dan ingrijpen.” Hetzelfde geldt als in een partij vijfmaal dezelfde stelling is bereikt met dezelfde speler aan zet en dezelfde mogelijkheden.
Voorts zijn er talloze kleinere aanpassingen geweest, zoals het uitvoeren van een promotie en het verplicht noteren van een remiseaanbod. Gijssen: “De FIDE stelt elke vier jaar nieuwe spelregels vast maar vrijwel niemand weet dat. Het zou goed zijn als alle KNSB-leden de nieuwe regels toegestuurd krijgen, wellicht als bijlage bij Schaakmagazine. Meer cursussen of informatieavonden lijken mij ook geen overbodige luxe.”
Fraude hard aanpakken
Een fenomeen waarover Gijssen zich grote zorgen maakt, is het illegaal gebruik van elektronische hulpmiddelen in de toernooizaal. “Om schaken eerlijk te houden moeten we daar hard tegen optreden. Daarom ben ik voor een streng sanctiebeleid bij het ongeoorloofd gebruik van mobiele telefoon, tablet of wat dan ook. Het zou goed zijn als de nationale bonden en de FIDE veel strenger gaan controleren en samen een internationale zwarte lijst aanleggen van fraudeurs. Desnoods moeten we alle spelers controleren met een metaaldetector. Het zijn draconische maatregelen, zeker bij open toernooien met pakweg vierhonderd deelnemers, maar het kan niet anders.” Overigens denkt Gijssen dat minder dan 0,1 procent van alle wedstrijdschakers fraudeert. “De overgrote meerderheid wil eerlijk winnen. Ik denk dat in de top honderd sowieso niemand zich hieraan schuldig maakt.”
Indrukwekkende bibliotheek
Een bezoek aan Geurt Gijssen is niet compleet zonder rondleiding in zijn indrukwekkende schaakbibliotheek. Zelf schat hij het aantal boeken en tijdschriften op zo’n negenduizend. Hiermee heeft hij in Nederland één van de grotere particuliere collecties. Trots is hij bijvoorbeeld op de complete verzameling publicaties van Harrie Grondijs maar ook op het omvangrijke toernooiboek Chess Tournaments 1851-2005 van Jan van Reek. “Er zijn maar enkele exemplaren van dat boek gedrukt!”
Gijssen heeft ook veel partijnotaties laten inbinden. “Ik ben daarmee begonnen tijdens het IBM-toernooi van 1980. Jenny Withuis van de persdienst gooide ze weg als zij klaar was met het bulletin. Dat vond ik jammer en daarom heeft zij ze voor mij weer uit de prullenbak gevist. Sindsdien heb ik altijd gevraagd wat de organisator deed met de notatieformulieren. Als het antwoord was ‘niets’, vroeg ik of ik ze mocht hebben. Zo heb ik van veel toernooien en matches waarbij ik aanwezig ben geweest, de notatieformulieren laten inbinden. Voorts heb ik van alle wereldkampioenen, behalve van Steinitz, de handtekeningen!”

